| Implementatie van Kinderen in Tel 2006 in de gemeenten
In oktober 2006, zes maanden na de gemeenteraadsverkiezingen, ontvingen 458 gemeenten een mini-enquête. Gevraagd is naar wat de invloed van Kinderen in Tel is geweest op hun jeugdbeleid.. De respondenten werden per e-mail geattendeerd op een internetvragenlijst. 156 respondenten vulden deze vragenlijst in. De respons bedraagt 34%, wat heel positief is.
Hieronder het overzicht van vragen en antwoorden en de suggesties voor de komende edities van Kinderen in Tel:
Is in 2006 de begroting voor Jeugdzaken in uw gemeente verhoogd?
Ja 36,5% Nee 54,5%
Is er in uw gemeente een wethouder Jeugd?
Ja, hij of zij heeft alleen jeugdzaken in portefeuille 1,3%
Ja, hij of zij heeft naast jeugdzaken ook andere onderwerpen 82,1%
Nee 16,0%
Weet ik niet 0,6%
Sinds wanneer is de wethouder Jeugd in uw gemeente aangesteld?
Vóór 2006 37,10%
Sinds 2006 44,9%
Sinds 2007 1,3%
Ik weet niet sinds wanneer 16,7%
Is er een aparte nota jeugdbeleid?
Ja 77,6% Nee 21,2% Weet ik niet 1,3%
Wordt er in het gemeentelijk jeugdbeleid (nota’s) naar de kinderrechten verwezen?
Ja 25,6% Nee 62,8% Weet ik niet 11,5%
Kent u het databoek Kinderen in Tel?
Ja 61,5% Nee 38,5%
Kent u de brochure “Kinderen in Tel. Een handreiking voor gemeentebestuurders”?
Ja 37,2% Nee 62,8%
Zijn de Kinderen in Tel-resultaten van uw gemeente van invloed geweest op het jeugdbeleid?
Nee 67,9% Ja 16,0% Weet ik niet 16,0%
Heeft u suggesties voor de verbetering van Kinderen in Tel?
Nee, want ik ken Kinderen in Tel niet 35,3%
Nee, ik ken Kinderen in Tel wel, maar heb geen suggesties 50,0%
Ja 14,7%
SUGGESTIES en vragen vanuit de gemeenten VOOR VERBETERINGEN en OPMERKINGEN OVER het onderzoek en het Databoek:
- Meer ‘harde’ indicatoren gebruiken. Nu waren nog veel cijfers interpretabel en bleken sommige cijfers uiteindelijk mee te vallen of uit te leggen voor de lokale situatie.
- Jeugdparticipatie bij de volgende editie opnemen.
- Kinderen in Tel regelmatig laten verschijnen met daarin ook gegevens vanuit jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg en onderwijs.
- Aandacht geven aan gemeentelijke beleidsinspanningen ten behoeve van de jeugd en aan de relatie tussen de ‘uitgangssituatie’ in een gemeente en de positie van de jeugd. De gegevens zoals nu geformuleerd geven geen achtergrondinformatie over specifieke gemeenten.
- Indicatoren moeten eigenlijk gerelateerd worden aan gegeven stand van zaken per gemeente.
- Door zaken die door gemeenten niet te beïnvloeden zijn, zoals lage sociaal-economische status, kunnen gemeenten erg slecht in de landelijke lijst scoren, terwijl er toch relatief fors wordt ingezet op bepaalde onderdelen. Een andere wijze van meten zou prettig zijn.
- Een splitsing maken in speelvoorzieningen voor kinderen van diverse leeftijdsgroepen (0 tot 12 en daarboven). De beoordeling van de voorzieningen in het totaal kan te positief zijn.
- Op welke wijze zijn de gegevens over buitenspeelruimte tot stand gekomen?
- Het zou goed zijn als bij vergelijkingen er een onderscheid zou worden gemaakt tussen grote en kleine gemeenten.
- Onderzoek Kinderen in Tel jaarlijks herhalen zodat gemeenten zich ook kunnen blijven meten.
- Het huidige databoek leest niet gemakkelijk. Daaruit is niet goed af te leiden wat een voldoende score is.
- Getallen en cijfers over de gekozen onderwerpen zeggen niets over de werkelijke inspanningen die door gemeenten worden gepleegd om jeugdigen te laten opgroeien tot zelfstandige en zelfredzame burgers.
WENSEN VAN DE GEMEENTEN in het algemeen:
De gemeenten waarderen Kinderen in Tel en vinden het wenselijk dat het onderzoek periodiek wordt uitgevoerd. De suggestie is gedaan om grote en kleine gemeenten apart te vergelijken. De achtergronden per gemeente zouden meegenomen moeten worden om een realistisch beeld te verkrijgen. De respondenten zijn van mening dat gemeenten op de sociaal-economische status van de bevolking nauwelijks invloed kunnen hebben, terwijl dat van grote invloed is op de implementatie van het jeugdbeleid.
|