| Vraag
en antwoord
Veelgestelde
vragen over Kinderen in Tel
Voor wie is Kinderen in Tel vooral gemaakt?
Kinderen in Tel inventariseert hoe het staat met de leefomstandigheden
van de jeugd in Nederland.
Doel is om zichtbaar te maken waar extra aandacht nodig is.
Kinderen in Tel is niet bedoeld om de effectiviteit van jeugdbeleid
te meten. Het is een instrument om datagestuurd beleid te
ontwikkelen: beleid dat gebaseerd is op feitelijke cijfers
in plaats van veronderstellingen of goede bedoelingen, Dit
om beter te kunnen bepalen waar het beleid zich op moet richten.
Kinderen in Tel is bedoeld voor beleidmakers en bestuurders
die verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen en
jongeren in de gemeente. De bewoners van de gemeenten, mensen
die in de gemeente werken, vrijwilligers, jongeren: zij allen
kunnen informatie uit het Databoek halen. Ze kunnen ook gerichte
vragen aan de gemeente stellen over het jeugdbeleid of gaan
lobbyen voor een beter beleid. Het Databoek 2008 biedt voor
het eerst ook cijfers op wijkniveau. Dit keer zijn dus de
gemeenten met elkaar vergeleken, én de wijken.
Wie financiert het project Kinderen in Tel? Is de
overheid hier financieel bij betrokken?
Kinderen in Tel wordt gefinancierd door onafhankelijke belangenorganisaties,
te weten: Stichting Kinderpostzegels Nederland, Jantje Beton,
Unicef Nederland, Johanna Kinderfonds, Nationaal Fonds Kinderhulp,
Nederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind. De overheid
draagt niet aan het
project bij.
Waarom worden slechts twaalf indicatoren onderzocht?
Kinderen in Tel kiest voor een overzichtelijk aantal indicatoren
die de gehele breedte van het jeugdbeleid beslaan. De gegevens
zijn afkomstig van betrouwbare, officiële statistieken
(zoals het CBS, OMDATA en het SCP) en zijn longitudinaal verzameld.
Tegelijkertijd zijn de gegevens ook begrijpelijk voor een
lekenpubliek. Nog meer indicatoren zou betekenen: minder helderheid
en minder overzicht.
Hoe kunnen verschillende meeteenheden (percentage,
promillage, hectaren) worden vergeleken om tot een rangorde
te komen?
Diverse belangenbehartigende organisaties voor de jeugd hebben
indicatoren benoemd die cruciaal zijn voor het in beeld brengen
van de leefomstandigheden van kinderen. Deze indicatoren beslaan
de gehele leefomgeving waarin jongeren zich bevinden, van
speelruimte tot zuigelingensterfte of tienerzwangerschappen.
Voor elke indicator is een andere ‘eenheid’ nodig
om tot een juiste berekening te komen. Speelruimte bijvoorbeeld
bereken je in hectaren. Voor zuigelingensterfte berekent het
CBS het aantal ten opzichte van 1000 zuigelingen, en tienermoeders
berekenen we in procenten. Belangrijk is dat één
eruit springende score op een indicator niet een allesbepalende
invloed heeft op de totaalscore.
Dit jaar vergelijkt Kinderen in Tel ook de wijken.
Kunnen alle indicatoren echt per wijk gemeten worden?
Op dit moment is het nog niet mogelijk (en zinvol) om alle
indicatoren op het wijkniveau te meten. We hebben dit nu voor
7 van de 12 indicatoren gedaan. Bij 2 indicatoren is het niet
zinvol om tot het wijkniveau te gaan. Zo komt kindersterfte
betrekkelijk weinig voor, waardoor een sterfgeval in een wijk
de uitkomst enorm zou kunnen beïnvloeden. Bij 3 indicatoren
waar meten op wijkniveau nu (nog) niet mogelijk is, zou het
mooi zijn als dit in de toekomst wel zou kunnen.
Waar komen de cijfers over wijken vandaan? Zijn ze
betrouwbaar?
De bronnen voor de wijkgegevens zijn hetzelfde als voor de
gemeenten. De cijfers zijn alleen teruggebracht naar het niveau
van de postcode (Pc4). De gegevens komen uit betrouwbare bronnen
zoals CBS of Cfi en zijn dus betrouwbaar.
Wat kunnen wijken doen met de resultaten van het onderzoek?
De cijfers zeggen iets over de leefsituatie voor kinderen
in een wijk. Die gegevens kunnen positiever of negatiever
zijn als je ze vergelijkt met andere wijken. Vooral als het
gaat om grote steden worden verschillen tussen de wijken zichtbaar.
In Rotterdam bijvoorbeeld scoren niet alle wijken laag als
het gaat om de leefsituatie van kinderen. Deze gegevens maken
duidelijk in welke wijken een gericht lokaal jeugdbeleid nodig
is.
Wat is de verhouding tussen de wijken van Kinderen
in Tel met de Vogelaar-wijken?
Doordat Kinderen in Tel uitgaat van de kinderrechten, biedt
het gegevens om een specifieker gebiedsbeleid te voeren vanuit
het welzijn van kinderen. Die gegevens kunnen een mooie aanvulling
zijn op de Vogelaar-wijken, omdat die niet vanuit het jeugdperspectief
zijn geselecteerd.
Zijn de wijken / gemeenten die goed scoren altijd
de gebieden waar ‘rijke’ mensen wonen?
Voor sommige indicatoren klopt dat. Het onderstreept de noodzaak
om een gedifferentieerd jeugdbeleid te voeren en de middelen
in te zetten op die plekken waar het ’t hardst nodig
is.
Hoe verhouden de indicatoren zich tot de werkelijke
inspanningen van gemeenten om een goed jeugdbeleid te voeren?
Het is voor een deel goed mogelijk om via gemeentelijk beleid
invloed op de score van de indicatoren uit te oefenen. Soms
zullen gemeente, provincies, overheid en maatschappelijke
organisaties de handen ineen moeten slaan. We kunnen stellen
dat een ongunstige score een gemeente zou moeten uitnodigen
om gericht en goed onderbouwd jeugdbeleid te ontwikkelen en
uit te voeren. De cijfers zijn een aanleiding om jouw provincie,
gemeente of wijk te vergelijken met gebieden die zich in een
vergelijkbare geografische omgeving bevinden. De wijkscores
geven een gemeente inzicht waar dit beleid vooral ingezet
zou moeten worden. Deze inspanningen van gemeenten zullen
op termijn in de cijfers zichtbaar zijn.
Kan er een indicator bedacht worden om de algemene
sociaal-maatschappelijke situatie per gemeente weer te geven?
De optelsom van al onze scores bij elkaar is de overallscore.
Die geeft in feite de leefsituatie van kinderen per gemeente
weer. Een ‘algemene sociaal-maatschappelijke indicator’
is te breed: wij richten ons met de indicatoren op de jeugd,
op basis van kinderrechten.
Waarom wordt de ligging van gemeenten niet weergegeven
(groen / platteland / verstedelijkt / industrieel)?
Die termen hebben wij niet als indicator meegenomen. Ze spelen
in onze uitwerking dus geen rol, maar het staat een ieder
vrij om hierover op basis van onze scores en de ligging van
gemeentes hypotheses te formuleren.
Waarom worden grote en kleine gemeenten op dezelfde
lijst gepresenteerd?
Het Databoek is een instrument om alle gemeenten in Nederland
(zonder uitzonderingen) met elkaar te vergelijken, ongeacht
de grootte en ligging. Men kan de eigen gemeente, wijk of
provincie zo ook goed vergelijken met anderen.
Wat is de waarde van de gegevens die twee jaar oud
zijn?
Kinderen in Tel toont de meest recent beschikbare data. Iedereen
die het beleid graag onderbouwt met gegevens zal er altijd
rekening mee moeten houden dat betrouwbare gegevensverzameling
tijd vergt en dat een stand van zaken altijd op het (recente)
verleden betrekking heeft.
Wordt de betrouwbaarheid van de indicatoren niet vertroebeld
door de gevoeligheid van sommige indicatoren voor incidenten?
Denk aan de aanwezigheid van een justitiële inrichting
die de gegevens over de jeugdcriminaliteit beïnvloedt.
Of de dood van een baby die het promillage van de zuigelingensterfte
aanzienlijk zou veranderen. Nee, dat ligt anders. De systematiek
in de berekening van cijfers is zo, dat uitschieters altijd
worden gereduceerd tot een maximale afwijking van het landelijk
gemiddelde. Dat is een statistische methode die in onderzoek
vaak standaard wordt gebruikt. Dat zorgt ervoor dat een eruit
springende score op een indicator een niet allesbepalende
invloed heeft op de totaalscore. Verder is het zo dat in dit
onderzoek geen weging is toegepast: alle indicatoren tellen
even zwaar.
Wat zeggen de meldingen over kindermishandeling bij
het AMK over het werkelijke aantal gevallen van kindermishandeling?
Niet elke melding betekend een werkelijke kindermishandeling.
Het aantal meldingen kindermishandeling is op landelijk niveau
nog steeds te laag. Er worden nog altijd meer kinderen mishandeld
dan dat er meldingen gedaan worden. Let op: het is niet per
definitie slecht als een gemeente een hoge score op deze indicator
heeft. Maar met meer meldingen is de kous niet af. Kindermishandeling
moet voorkomen worden en dat begint met het zichtbaar maken
van het kinderleed. De tweede stap is dan: het probleem zelf
aanpakken.
Waarom worden indicatoren niet meer specifiek gemaakt,
voor diverse leeftijdgroepen en categorieën kinderen
en jongeren?
‘Jeugdbeleid’ is een breed begrip. Elke specificatie
naar leeftijd zal een verdere beperking van de betekenis van
Kinderen in Tel tot gevolg hebben en daarmee de zeggingskracht
van het instrument (ter ondersteuning van gehele brede jeugdbeleid)
dus verminderen.
Waarom wordt de mening van kinderen en jongeren over
hun wijk/gemeente niet weergegeven?
Deze gegevens zullen nooit voor alle gemeenten tegelijkertijd
en betrouwbaar beschikbaar kunnen zijn. Omdat de voorwaarden
‘tegelijkertijd’ en ‘betrouwbaar’
voorwaarden zijn voor de gebruikte data, wordt dit gegeven
niet meegenomen.
Hoe
beïnvloedt het samengaan van gemeenten de betrouwbaarheid
van de gegevens?
Niet; de cijfers worden berekend op basis van de gemeente-indeling
van het jaar ervoor. Bij elke herindeling worden alle cijfers
van de jaren ervoor herberekend naar de nieuwe indeling. Wanneer
we dus naar trends kijken, bekijken we de trends op basis
van de nieuwe indeling. De gegevens uit het verleden worden
dus ook opnieuw berekend naar de nieuwe situatie. Zo kunnen
we dus de gegevens van bijvoorbeeld de gemeente Maasgouw ook
voor 2000 weergeven, hoewel die gemeente in dat jaar nog niet
bestond.
Wat is het verschil tussen Kinderen in Tel en andere
monitoren of instrumenten?
Kinderen in Tel beslaat de totale leefomgeving van jongeren
en de verzamelde gegevens gaan over alle kinderen in Nederland.
Andere meetmethoden – zoals vragenlijsten en monitors
- zijn doorgaans gebaseerd op steekproeven en geven daarmee
minder valide uitkomsten.
Maart 2008, Verwey-Jonker Instituut / Defence for Children
|